Segitiga; 24 juli 1996

 

 

Door een technisch mankement vertrekken we 36 uur later dan gepland. De afgelopen

nacht doorgebracht bij de fam. Roofvogel waar de Toecan over ons waakte, om

vervolgens opnieuw plaats te nemen in onze nationale trots.

 

Ik zie mezelf nog staan met de brief in mijn hand, bijna een jaar geleden. Mijn blik

gefocust op de eerste regels. "Einde­lijk is het dan zover! De gesprekken voor het

uitwisselings­project met West-Timor zullen vrijdag en zaterdag gevoerd worden.

Misschien word jij één van de vijf Nederlandse deelne­mers, die samen met 5 Molukse

jongeren aan de andere kant van de wereld gaan kijken hoe een Timorees leeft, woont

en ge­looft. Om letterlijk over je eigen grenzen van cultuur en geloof heen te kijken."

En enkele weken later.... "Gefelici­teerd, jij hoort tot de groep die dit kerkelijke project

tot een succes zal maken...." Afzender de begeleidingscommissie van Segi­tiga. En

zo zit ik plotsklaps in een kerkelijk uitwis­selings­project met Molukse en Timorese

jongeren; Segiti­ga, wat drie­hoek betekent.

 

      Volgestouwd met de Nederlandse en Molukse kerkgeschiedenis, het bahasa

Indonesia en instructies over hoe politiek-gevoelige onderwerpen aan te roeren.

Kortom met een rugzak vol gees­telijke bagage èn ballast in de vorm van Delfts blauw,

kaarsen en zelfs een broodrooster (op verzoek) stappen we in de Boeing 747.

      In Kupang worden we met auto's afgehaald. Op het Syno­dekantoor wacht

ons een verrassing. Twee oude Timorese mannen met tanige en karaktervolle

gezichten staan ons buiten al op te wachten. Ze dragen gewe­ven rokken; sarongs.

Het overhemd wordt er overheen gedragen en daarover is weer een geweven

doek geknoopt. Ze zijn op blote voeten en dragen op het hoofd een batikhoed in

driehoekige vorm, waaruit een paar groene bladeren steken. Ze zingen een soort

vraag en ant­woordlied, wat op bijna één-en-dezelfde toonhoogte wordt gezongen

met een ietwat krakerige stem. Zo nu en dan is er even een volume-uitbar­sting.

Het lijkt niet op het bahasa wat we geleerd hebben, maar komt erg hartelijk over.

Enigszins beduusd klap­pen we in onze handen, is dat wel passend? De

vertegenwoordi­ger van onze groep krijgt een geweven sjaal aangeboden en een

mandje met een vruchtje erin. Dan worden we binnengeleid. Een jonge vrouw

die Engels spreekt geeft ons ondertussen uitleg. De Natoni-song is gezongen.

Volgens de regels van de traditie zijn we nu niet langer vreemden van elkaar maar

worden we ontvan­gen als broeders en zusters. De sjaal en het mandje onderstre­pen dit.

      Binnengekomen doen meisjes van vier, vijf hooguit zeven jaar een dansje

voor ons. Ook zij dragen traditionele kleding. De kleuren en motieven zijn bij ieder

meisje weer heel ver­schillend; de een heeft meer donkere kleuren; zwart, wit en

donkerbruin of donkerpaars de ander is felgekleurd in geeloranje, roze en rood.

Allemaal dragen ze een gouden band om de middel en hebben ze een mandje in

hun handen. De muziek komt uit een grote gettoblaster met een bandje dat ook

zo nu en dan wat schuren­de, krakende geluiden ten gehore brengt. Aan het einde

van het dansje moeten we iets uit hun mandje pakken. Onwennig kijken we naar

elkaar; moeten we het hele mandje aannemen of alleen het vruchtje dat erin ligt?

De Engelstalige mevrouw souffleert dat we het staafje en het vruchtje eruit

moeten pakken. Het staafje doet me denken aan de vrucht van een Els. De dans

en het aannemen van het vruchtje bevestigen wederom onze vriendschapsband!

 

 

      We worden ingedeeld bij de gastgezinnen. Ik kom bij een meisje in huis dat (gelukkig)

wat Engels spreekt. Ik krijg de slaapkamer van een zus; een groot tweepersoonsbed,

geen laken maar wel een rol. Aan het voeteneinde staat een soort kapta­felameublement

met spiegel. Mijn benen passen precies tussen het bed en het ameublement. Met m'n

rug in een s-bocht kan ik in de spiegel kijken. Een kast is leeggemaakt zodat ik daar

m'n rugzak in kwijt kan. Alles is roze geverfd. Er hangt een propeller aan het pla­fond,

waardoor de tropi­sche vochtigheid voor m'n gevoel al­thans enigszins ver­dwijnt. De

enige ruimte die overblijft is de loop­ruimte naast mijn bed. Als ik mijn slaapkamer uitkom,

sta ik gelijk in een deel van de woonkamer; de achterkamer waar een tv staat en een

groepje jongens omheen zit. Er wordt druk gepraat en gelachen, wat ongetwijfeld met

mijn komst te maken heeft. Ik mompel "sela­mat siang" en loop de kamer uit. Op een

soort binnen­plaats staat een ping-pongtafel. In de mandiekamer staat een grote

mandiebak en een wasmachine. Geen wastafel wel een putje voor de afvoer. Onwennig

poets ik m'n tanden in het midden van de ruimte.

     

      Na enkele dagen Kupang gaan we naar Soë; wat in noord­oostelijke richting van

Kupang ligt. Vanuit Soë maken we een dagtocht naar Nenas. Volgens m'n Timorese

medereizigers komen we dan op 1600 - 2300 meter hoogte. Het is een weg met vele

bochten en daardoor ook prachtige uitzichten. Tot Kapan is de weg geasfalteerd, dan

gaat deze over in een stoffige zandweg, wat ieder uitzicht ontneemt. Zo nu en dan

vliegen we bijna met ons hoofd tegen het dak aan. Het is letterlijk stof happen. De

predikant van Nenas, David, stapt halverwege in om ons te verwelkomen en naar zijn

dorp te begeleiden. In Nenas aangekomen is iedereen uitgelopen om ons te ontvangen

èn te bekijken. Het blijkt dat hier eigenlijk nooit toeristen komen. We worden ontvangen

in het huis van David. Achter zijn huis staat een kookhut, waar voor ons ubi is

klaargemaakt. Ubi lijkt op een aardappel en heeft een zoete smaak.

     De hut is rond, heeft een rieten dak en een lemen muur van ongeveer een meter

hoog. De hut lijkt klein. Door de ingang, die zo'n 80 cm hoog is, komt rook naar buiten.

 

 

Ik kruip naar binnen. M'n ogen beginnen te tranen, maar dat komt omdat ik te dicht 

bij de ingang zit. In het midden van de hut liggen een paar grote stenen met wat

houtspaanders ertussen. Er staat een pan op waar de ubi in z'n geheel wordt gekookt

en op een ander vuur wordt de ubi in schijfjes gebakken, wat erg lekker blijkt te zijn.

In de nok hangt mais. Er zitten zeker acht vrouwen in de hut, maar ook enkele mannen.

Ik verbaas me over de hoeveelheid spullen die hier staan. De ruimte wordt zeer efficiënt

ge­bruikt. Tegen de achterwand staat een provi­sori­sche tafel met talloze keukenspullen.

Links ervan staat een stellage, die me doet denken aan een afdruiprek. Grote en kleine

borden en een rij lepels staan hier verticaal achterel­kaar. Aan weerszijden van de hut

staan zelfs twee bedden. De mensen lachen vriendelijk naar me en vragen hoe het met

me gaat, tenminste dat denk ik. Ik stel me voor dat ze wel iets van mij willen weten en

probeer in het bahasa en met handen en voeten het een en ander te vertellen. Dit gaat

stukken beter als David binnenschuift en het voor me vertaalt.

      Ik vind het opvallend dat eigenlijk niemand van de Timorese jongeren even in de hut

komt. Als ik hier later naar vraag, krijg ik vage antwoorden over muggen (?!) en al vaker

in een hut te zijn geweest. Ik vraag mezelf af wat de ware reden kan zijn. Kleding die

naar rook gaat stinken? Je beter voelen dan deze mensen? Verlegenheid? Het blijven

vraag­tekens. Als iedereen genoeg ubi heeft gehad, gaan we naar het kerkje. Er staan

eenvoudige houten banken op de grond. Voor de ramen wappert vitrage. Er wordt op

een soort holle boomstam gesla­gen, wat de mensen oproept om te komen. Vooral

ouderen schui­ven de kerk in, de jongeren zijn bezig met het bouwen van een huis.

Een ieder laat dan enkele dagen zijn eigen werk en bezigheden voor wat het is om

gezamenlijk een huis voor die­gene neer te zetten, zo vertelde David me op de heenweg,

toen we een groep van 40 man passeerden. We vertellen over het project Segitiga en

over onze achtergronden. Het is jammer dat er nu geen gesprek met de jongeren

mogelijk is. Ten afscheid krijgen we een prachtige slendang (sjaal) als blijvende

herinnering aan onze vriendschap met Nenas.

 

   De volgende dag gaan we naar Niki-Niki, omdat we later zijn dan gepland, staat

de bevolking al enkele uren op ons te wachten. Zodra we uit de bus rollen, voeren vijf

mannen een dans op met kapmessen. In de ene hand hebben ze het kapmes en in de

andere hand de schede. Op gongs van verschillende groot­te wordt in een opzwepend

ritme muziek gemaakt, daarbij worden lange gierende uithalen ten gehore gebracht. De

dracht van de mannen is fascinerend; ook zij zijn blootvoets, maar dragen om hun

enkels grassen met belletjes of paardenhaar dat breed uitsteekt. Om een lange rok zijn

verschillende slendangs geknoopt. Ze dragen hierop een wit of roze overhemd wat in

de rok zit. Over dat overhemd zit bij iedereen een band met wel vijftien muntstukken erop,

die enigszins bol lijken geslagen. Aan de zijkant van hun lichaam hangt een katoenen tasje.

 

 

     We worden de kerk ingeleid, waar we voorin op de grond moeten gaan zitten. We

nemen plaats op kleurige gevlochten matten, die, zo wordt ons verteld alleen bij speciale

gelegen­heden en rituelen worden gebruikt. Aan de zijkanten neemt de plaatselijke

bevolking plaats, het midden blijft leeg. Het blijkt al snel dat deze ruimte wordt gebruikt

voor de koren en dansoptredens die elkaar veelvuldig afwisselen. Het eten zit ook in

kleurige rieten mandjes, zelfs om de rijst zit een omhulsel gevlochten, dat je eraf moet

breken als je het wilt gaan eten. Hier en daar wordt een kommetje water neergezet, om

je vingers in af te spoelen. Ook hier leggen we de bedoeling van het project uit. Het is de

eerste keer dat de mensen van Segitiga horen. Men heeft vele vragen over het leven in

Europa en vooral of het waar is dat er "zelfs" kerkgebouwen worden gesloten. Als we

vertellen dat veel Nederlanders zich niet meer bij een kerk aansluiten en niet geloven gaat

er een golf van geroezemoes door de kerk. Het blijkt dat dit moeilijk te begrijpen is voor

een Timorees, want een ieder is op Timor christen of islamiet. Daarnaast worden ook

vragen gesteld over de vrijetijdsbesteding van jongeren, het eten in Nederland en de

grootte van de gezinnen.

      's Avonds is er in de openlucht groot feest. De gongs worden wederom tevoorschijn

gehaald. Ze worden bespeeld door vrouwen. Het is een opzwepend ritme en terwijl een

paar oude kleine mannen beginnen te dansen met kapmes of sjaal, waan ik me een paar

honderd jaar geleden… Er is net hartstochtelijk gevochten omdat van de achter­neef van

het stamhoofd een karbouw is gestolen. De karbouw was onderdeel van de bruidsschat

en zou de hele stam ongeluk brengen als hij niet terug zou worden gebracht. Met kapmessen

en stenen kogels is de karbouw terugveroverd en daarom viert iedereen nu uitbundig feest.

Vruchtbaarheidsritu­elen worden bij het jonge echtpaar uitgevoerd om de goden weer

gunstig te stemmen. Er wordt geëindigd met een kringdans, waarbij van twee kringen

één grote kring wordt gemaakt, wat het gevoel van overwinning wederom bevestigt. Tegen

elven krijg ik een duwtje en schrik op, we gaan naar onze slaapplek. Morgen is het weer vroeg dag.

     

    

      We sluiten ons bezoek af met Roti, een eilandje ten zuiden van Timor. Ook hier

gastvrije ontvangsten met sasando-muziek, wat typisch voor Roti is. Het geluid doet

me denken aan harpmuziek. De snaren zijn vertikaal gespannen rondom een ronde balk,

waaromheen een kap is gemaakt van palmblad. Het is schitterende muziek.

      Het kerkje in Nemberala waar we op een avond d.m.v. drama iets over de

verschillen tussen Molukkers en Nederlan­ders laten zien zit stampvol. De kinderen

zitten voorin op de grond en ook door de "ramen" hangen de mensen naar binnen.

Er heerst een gezellige sfeer en er wordt gelachen om ons begin­nend acteertalent

waarbij we de verschillen in gast­vrijheid en het "op tijd komen" van onze beide culturen

laten zien. Tot slot worden liederen gezongen op bekende melodieën. Het geeft een

apart gevoel om zo ver van huis mee te zingen in je eigen taal.

 

  Elf augustus nemen we afscheid van Timor. We kijken uit naar een tegenbezoek

van de Timoreze jongeren in 1997, maar zullen eerst een aantal plannen uitbroeden

om deze bijzondere contac­ten aan de andere kant van de aardbol te onderhouden.

We keren terug met vele beelden van gastvrije ontvangsten en een gevoel van verbondenheid;

de meegegeven slendangs zijn het symbool van onze verwevenheid en vormen een blijvende herinne­ring.....

 

                                          © 1996 - Sonja v.d. Schaaf